De Nederlandse industrie staat niet stil, maar de ruimte om af te wachten wordt kleiner. Volgens het Strategie Trendsonderzoek 2026 van adviesbureau Berenschot staat het niet aan de rand van stilstand, maar op een beslismoment.

Geen doembeeld
Nederland en West-Europa blijven voor een ruimte meerderheid van de respondenten de belangrijkste afzetmarkten, maar Noord-Amerika blijft eveneens cruciaal. Aan de inkoopkant kijken bedrijven eveneens naar West-Europa, maar ook China en Oost-Europa worden vaak genoemd. Tegelijk ervaart bijna de helft impact van stijgende handelstarieven, wat beduidend hoger dan in andere sectoren is.
Toch overheerst er geen doembeeld. Bijna alle deelnemers verwacht groei, waarvan bijna twee derde zelfs meer dan 5 procent. Die groei moet vooral komen uit het aanboren van nieuwe marktsegmenten. Maar onder dat optimisme zit spanning: een op de vijf van de bedrijven zegt kostenstijgingen niet volledig door te kunnen berekenen aan klanten, waardoor marges onder druk komen te staan.
Bij industriële bedrijven in Nederland zijn innovatie en geopolitiek op dit moment de twee dominante thema’s. Innovatie wordt door 37 procent van de respondenten genoemd als belamngrijk strategisch onderwerp, geopolitiek door 30 procent. Daarmee verschuift geopolitiek steeds meer van een externe randvoorwaarde naar het belangrijkste onderwerp in de strategievorming. Internationale spanningen, handelstarieven en kwetsbare ketens dwingen bedrijven opnieuw na te denken over markten, leveranciers en strategische autonomie.
Twee groepen
Volgens het onderzoek van Berenschot valt de industrie steeds zichtbaarder uiteen in twee groepen. De ene groep heeft voldoende investeringsruimte en vertrouwen. De andere groep voelt de druk van oplopende kosten door energiekosten, personeelstekorten, grondstoffenschaarste en eerder genoemde geopolitieke onzekerheid. In het rapport wordt daarom niet alleen gepleit voor groei, maar voor gerichte keuzes.
Technologie speelt ook meer een hoofdrol. De bedrijven willen vooral investeren in artificiële intelligentie. Opvallend daarbij is wel dat AI nu vooral wordt gezien als instrument voor kenniswerk: samenvatten van tekst, efficiëntie van medewerkers verhogen en rapportages opstellen. Toepassingen in procesoptimalisatie en data gedreven besluitvorming blijven nog achter.
Los experiment
En daar liggen juist kansen. Als AI beperkt blijft tot voornamelijk kantoorwerk, blijft het productiviteitseffect beperkt. Volgens het onderzoek kan de echte sprong pas gemaakt worden wanneer AI, robotisering en sensoren de fabriek in gaan. Dit kan dan zorgen voor kortere doorlooptijden, constantere kwaliteit en voorspellend onderhoud. Het onderzoek benadrukt daarom dat AI geen los experiment moet blijven, maar onderdeel moet worden van strategie en organisatie brede transformatie.
De arbeidsmarkt vormt nog steeds de belangrijkste randvoorwaarde onder elke strategie. Beschikbaarheid van personeel blijft een van de grootste obstakels bij het realiseren van strategische doelen. Daarom moeten bedrijven volgens Berenschot minder sturen op functies en meer op vaardigheden. Door deze zogeheten skill gaps vroeg zichtbaar te maken, kunnen organisaties gerichter opleiden.
Kortom: de Nederlandse industrie moet kiezen waar zij strategisch relevant wil blijven. Investeren in technologie en mensen, samenwerking structureel organiseren en de uitvoering van deze aspecten versnellen. De industrie staat niet aan de rand van stilstand, maar op een beslismoment. Wie nu keuzes uitstelt, wordt afhankelijker van anderen. Wie scherp kiest kan juist bouwen aan een moderne, schone, digitale en productieve industrie in Nederland.
Voor het Strategie Trendsonderzoek 2026 voerde Berenschot een online enquête uit onder 608 organisaties in Nederland. Daarvan waren 151 respondenten afkomstig uit de Nederlandse industrie.
- Het onderzoek is hier te downoaden

